Morgen weer een dag

Ontwakend uit een prinsheerlijke slaap, draai ik me langzaam in de richting van de klok en kom tot het inzicht dat de tijd niet stilgestaan heeft sinds ik voor het eerst wakker werd vandaag.

De uren hebben zich samengeschoold en beginnen me te intimideren door gezamenlijk de indruk te wekken dat de dag al half voorbij is.

Maar ik weet wel beter.

Morgen weer een dag

Met mijn hand geheven dwing ik de tijd op zijn knieƫn en hij geeft toe dat hij degene is wiens laatste uur geslagen heeft.

Stamelend verlaten het uur van de waarheid en de hoogste tijd mijn kamer en het onbeschreven blad van de dag van vandaag komt binnen handbereik. Een pen, als een zwaard zo machtig, valt met de deur mijn huis binnen en zet de degen op mijn borst, nietsontziend me de duimschroeven aandraaiend.

Ik zie mijn angst onder ogen en besluit dat ik bereid ben om al het niks wat ik heb te riskeren om mijn zoektocht naar iets te kunnen beginnen.

Ik open de deur, omdat het toch beter is om bij de tijd te zijn, dan om er de tijd niet voor te hebben en laat een waterval van woorden tussen neus en lippen door op het onbeschreven blad neerdalen. Ik word me gewaar van luchtkastelen, gouden bergen en ook vervlogen dromen en al snel vraag ik me af waar de tijd toch gebleven is. Ik werp een blik naast mijn kast waar de tijd doodleuk zijn tijd zit te verdoen en terwijl de tijd zich, ondersteboven van de toegeworpen blik, op de kast laat jagen, ben ik toch maar blij dat blikken niet kunnen doden.

Ik keer hem de rug toe en zie dat het avontuur me ineens tegemoet lacht.

Ik vraag me af wat er zo grappig is en hoe zij zomaar mijn kamer binnen heeft kunnen sluipen, maar voordat ik het weet heeft haar helpende hand me al met mijn neus op de feiten gedrukt. Buiten mezelf van angst, omdat ik het gevoel heb mijn neus in andermans zaken te steken, kijk ik op mezelf neer en vraag me af hoe ik mezelf toch weer in zo’n benaderde positie heb weten te krijgen.

Op zoek naar een antwoord kom ik echter enkel en alleen oog in oog met mezelf te staan en begin hierdoor mijn potentieel te realiseren. Waartoe ik allemaal in staat zou zijn als ik mijn vinger maar eenmaal op de zere plek zou kunnen leggen. Ik tast in het duister en terwijl ik m’n best doe om de kantjes er niet van af te lopen, kan ik al snel geen kant meer op.

Achter me hoor ik de tijd gniffelen en vraag hem aan wiens kant hij nou eigenlijk staat. “Het is gewoon zo grappig,” antwoordt de tijd helend, “hoe mensen zich blind staren op het doel dat ze voor ogen hebben.”, de zere plek op zijn vingers tikkend.

Terwijl een last van mijn schouders valt die ik vervolgens naast me neerleg, zie ik hoe voor de hand liggend het is.

Ik glimlach en bedenk me dat er morgen weer een dag is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


× 9 = twintig zeven